De Europese bankenunie: doorbraak of gemiste kans?

Door Filip Abraham, professor internationale economie aan de Vlerick Business School

Het zijn beslissende dagen voor de Europese banksector. Alle ogen zijn gericht op de recente ontwikkelingen in de totstandkoming van een Europese bankenunie. Tijdens de voorbije Europese topconferenties werd een voorakkoord bereikt over de ontmanteling en herstructurering van noodlijdende banken. Gaandeweg wordt het duidelijker hoe de herkapitalisatie of vereffening van noodlijdende banken zal verlopen en wie daarvoor financieel zal opdraaien. Deze regeling vormt de tweede pijler van het gemeenschappelijke toezichtmechanisme op Europees niveau. Eerder werd al beslist dat de Europese Centrale Bank (ECB) verantwoordelijk zou zijn voor het toezicht op de grotere en 'systeemrelevante' Europese banken.

Net als op tal van andere beleidsterreinen van de Europese besluitvorming is het subsidiariteitsbeginsel van centraal belang voor een goed begrip van het bankentoezicht. Eenvoudig gesteld houdt subsidiariteit in dat grensoverschrijdende aangelegenheden beter op Europees niveau worden beslist, terwijl het nationale niveau beter geschikt is voor nationale aangelegenheden. De ervaring van de financiële crisis heeft duidelijk aangetoond dat de ontwikkelingen in de banksector de nationale grenzen overstijgen en dat de nationale regeringen (te) diep in eigen buidel moeten tasten wanneer ze de problemen van hun banken moeten opvangen. Daarom brengt het gemeenschappelijke toezichtmechanisme het toezicht op banken met een voetafdruk tot buiten de nationale grenzen onder bij de ECB. Kleinere banken en banken met een meer lokale actieradius vallen onder het toezicht van de respectieve nationale toezichthouders.

Voorts maakt de architectuur van de bankenunie een einde aan de toestand waarin de belastingbetalers van een lidstaat de facto verantwoordelijk zijn voor de kosten die samengaan met de vereffening of herkapitalisatie van particuliere banken. In de voorgestelde procedure met inbreng van de particuliere sector - de zogenoemde 'bail-in' - worden aandeelhouders, obligatiehouders en zelfs spaardeposito’s aangesproken om de reddingskosten van een bank te dragen. Bovendien wordt in elke lidstaat een noodfonds opgericht dat door de banksector zal worden gefinancierd. Vanaf 2016 zullen die nationale fondsen dan worden omgezet in een gemeenschappelijk Europees fonds van 55 miljard euro, dat onder gezamenlijk beheer komt te staan. Zo zullen Italiaanse banken dus bijvoorbeeld met Duits geld kunnen worden gered. Anders gezegd, het beginsel van solidariteit tussen de lidstaten van de EU wordt stapsgewijs en stilzwijgend ingevoerd.

Overdracht van nationale beslissingsbevoegdheden, subsidiariteit en solidariteit tussen de lidstaten … Geen wonder dat de voorstanders van verdere Europese integratie de recente akkoorden toejuichen als een historische doorbraak. Critici van hun kant beweren met dezelfde overtuigingskracht dat de hele regeling een gemiste kans is: 'too little, too late' en te ingewikkeld om uit te voeren.

Een doorbraak of een gemiste kans? Volgens mij is klaroengeschal even misplaatst als een klaagzang. De recente beslissingen zijn mogelijk een belangrijke stap vooruit. Maar de bankenunie is nog lang niet af.

Daarvoor moet nog verder aan de weg worden getimmerd en een eerste uitdaging bestaat erin dat die weg duidelijk moet worden uitgestippeld. 'Too little, too late' is kritiek die volgt uit een vergelijking tussen de Europese blauwdruk en de Amerikaanse realiteit. Vijf jaar na het omvallen van Lehman Brothers is er in de VS een hervormd en samenhangend toezichtkader op federaal niveau operationeel. Het contrast met de Europese aanpak is opvallend. In Europa worden de hervormingen gespreid over de lange termijn. De akkoorden over de 'bail-in', bijvoorbeeld, treden pas in 2016 in werking. Die lange overgangsperiode zorgt voor onzekerheid. Een tegenhanger voor het Amerikaanse gemeenschappelijke depositogarantiestelsel ontbreekt vooralsnog in de plannen voor de Europese bankenunie. Elke lidstaat blijft verantwoordelijk voor de bescherming van zijn eigen spaarders. Als de ervaringen uit het recente verleden een betrouwbare maatstaf zijn, valt het te betwijfelen of sommige lidstaten de gewaarborgde bescherming van spaargelden zullen kunnen financieren op het ogenblik dat er een nieuwe bankencrisis uitbreekt.

Een tweede uitdaging is de concrete toepassing van het subsidiariteitsbeginsel op de reglementering van en het toezicht op de banken. Een succesvol beleidsmodel veronderstelt dat de nationale en Europese overheden goed samenwerken, met een transparant beleid en duidelijk afgebakende bevoegdheden. Dit is niet vanzelfsprekend omdat er tussen het nationale en het Europese beleidsniveau pijnpunten blijven bestaan. De banken van hun kant maken zich zorgen dat de bankenunie een bureaucratische wirwar zal worden met een kluwen van nationale en Europese verplichtingen. Daardoor zullen de administratieve nalevingskosten voor de banken en hun klanten de pan uit rijzen. Maar dat is niet alles. Het gevaar bestaat ook dat de banken afhankelijk van hun omvang of de nationale markt waarop ze actief zijn een andere behandeling zullen krijgen. Als we niet oppassen, zouden de nationale financiële markten wel eens kunnen versplinteren. Het zou een fikse financiële domper zijn als Europa de voordelen van een geïntegreerde financiële markt zou kwijtspelen.

Een derde uitdaging houdt verband met de efficiëntie van het stelsel op ogenblikken waarop de financiële markten onder druk staan. Op papier ziet een gemeenschappelijk bankenafwikkelingsfonds er wel mooi uit, maar zal de omvang van dat fonds genoeg vuurkracht bieden om daadkrachtig op te treden tijdens een crisis? De voorgestelde procedure voor de vereffening en herkapitalisatie van banken in moeilijkheden ziet er omslachtig en traag uit omdat een heleboel beleidsorganen van de EU, de eurozone en de lidstaten bij het besluitvormingsproces betrokken zijn. Zal dat besluitvormingsmodel werken als de nood aan tussenkomst hoog is en de tijd dringt? Stel dat er maar een weekend tijd is om te beslissen over de ontmanteling van een noodlijdende bank. Is dat haalbaar wanneer er volgens sommige bronnen meer dan honderd mensen moeten worden geraadpleegd?

Gerelateerd nieuws

  1. Kunnen artificiële intelligentie en ‘deep learning’ de echte waarde van big data ontsluiten?

    Datum: 26-04-2017
    Categorie: Opiniestukken
    De opkomst van fintech betekent dat data alleen maar aan belang zullen winnen. Maar gezien PSD2, open banking en crossindustriële samenwerking om de hoek loeren, zullen data straks overal gedeeld worden. Om unieke inzichten te kunnen genereren, zullen bedrijven gebruik moeten maken van ongestructureerde data. Artificiële intelligentie en deep learning kunnen hierbij een cruciale rol spelen.
  2. Strenge regelgeving alleen is geen garantie om nieuwe bankencrisis te voorkomen

    Datum: 25-04-2017
    Categorie: Opiniestukken
    De bankencrisis van 2008 maakte pijnlijk duidelijk dat excessieve risico’s te lang en te veel onder de radar konden blijven. Maar ook de tsunami van regelgeving die volgde als reactie op de instabiliteit in de financiële sector biedt geen waterdichte garantie. “Beslissingen worden immers genomen door mensen. Hoewel een bank of verzekeringsmaatschappij aan alle formele regels kan voldoen, is er ook een gezonde risico-attitude nodig. Dat vergt een mentaliteitswijziging en een open dialoog,” volgens Regine Slagmulder, professor Accounting & Control aan Vlerick Business School. Ze vraagt aandacht voor de ontwikkeling van een risicocultuur die verder gaat dan alleen maar checkboxen afvinken.
Alle artikels