Het risico van grexit en kwantitatieve verruiming: het einde van de euro of het begin van betere tijden?

Door prof. dr. Freddy Van den Spiegel (professor aan de Vrije Universiteit Brussel en Vlerick Business School, Europese correspondent voor de FCIB)

Terwijl de Verenigde Staten volledig hersteld lijken te zijn van de financiële crisis van 2008, heeft de Europese Unie nog steeds te kampen met stagnatie. Vooral de eurozone wordt gekenmerkt door een lage groei, angst voor deflatie, een zwak bankensysteem en instabiele regeringen. De laatste tijd domineren twee Europese thema’s het nieuws: een programma voor kwantitatieve verruiming gelanceerd door de ECB en een mogelijke grexit waarbij Griekenland uit de eurozone zou stappen. Beide scenario’s lijken een wanhopige sprong in het duister die zal leiden tot een complete chaos. Of maken deze ‘problemen’ deel uit van de oplossing? 

De financiële crisis begon in de Verenigde Staten in 2008. De aanleiding? Een oververhitte vastgoedmarkt en uiterst gecompliceerde – en soms frauduleuze – financiële producten. Het lijkt vreemd dat de Europese economie het nog steeds moeilijk heeft, terwijl de Verenigde Staten de crisis helemaal verteerd lijken te hebben. Dat verschil laat zich door minstens drie factoren verklaren. 

Ten eerste was het monetaire beleid na het uitbreken van de crisis veel agressiever in de Verenigde Staten dan in de eurozone. De Verenigde Staten gingen in 2009 al over tot kwantitatieve verruiming, een fenomeen waarbij de centrale bank geld creëert om staatsobligaties te kopen. De ECB begint nu pas aan de uitwerking van een dergelijk programma, omdat het monetaire beleid in de eurozone veel restrictiever is. Gezien de positieve resultaten van kwantitatieve verruiming in de Verenigde Staten kan worden gesteld dat de ECB vijf kostbare jaren heeft verloren, maar nu doet wat nodig is. 

Ten tweede zijn de banken in de Europese Unie verhoudingsgewijs veel groter dan in de Verenigde Staten. Daardoor is het moeilijker om de bankencrisis aan te pakken en te verteren. Bovendien hebben die Europese banken een zeer nationaal karakter en zijn ze vooral actief in één enkele lidstaat. De insolventie van één grote bank die gered moet worden, kan rampzalige gevolgen hebben voor een land. Door de oprichting van de bankenunie in november 2014, met de ECB als enige toezichthouder en een Europees fonds om banken in nood te redden, is dat risico afgenomen en zijn banken veel stabieler geworden. 

Ten derde hebben de lidstaten van de eurozone met de oprichting van de muntunie wel optimaal profijt getrokken van de lagere rentevoeten die de nieuwe sterke munteenheid teweegbracht, maar weigerden ze hun economische beleid te stroomlijnen. Daardoor ontstonden extreem hoge schulden en nam de concurrentiekracht sterk af in bepaalde landen. Dat was bijvoorbeeld het geval in Griekenland. In het nieuwe kader beschikt de Europese Commissie over de middelen om lidstaten met buitensporige onevenwichtigheden te straffen.

Onverantwoordelijk gedrag van sommige lidstaten leidde in 2011 bovendien tot een politieke crisis binnen de eurozone. Die crisis zou de eurozone bijna fataal worden. De ECB kon echter een rampscenario voorkomen. De ‘ECB-bazooka’ loste zijn eerste schot in juli 2012, toen voorzitter Draghi beweerde dat de ECB ‘alles zou doen’ om de euro te redden. Nu heeft Draghi een plan voor kwantitatieve verruiming voorgesteld: maandelijks wordt zestig miljard euro in de economie geïnjecteerd, tot een bedrag van duizend miljard euro is bereikt. Tegelijkertijd wil de Europese Commissie een Europese kapitaalmarkt creëren en langetermijninvesteringen aanmoedigen met de steun van de Europese Investeringsbank.

Het staat buiten kijf dat niet alles gesmeerd loopt in de eurozone en dat er nog heel wat werk aan de winkel is. Toch moet worden toegegeven dat de meeste structurele zwakheden van de eurozone overwonnen zijn en dat de situatie geleidelijk aan verbetert.

Vandaag leidt de kans dat Griekenland de eurozone verlaat niet meer tot een paniekreactie. Er wordt rekening gehouden met die mogelijkheid, en markten reageren nauwelijks op aanwijzingen in die richting. Zelfs hoge Duitse politici beschouwen het als een realistische, zij het niet wenselijke optie. En dat biedt de nieuwe Griekse regering minder ruimte om de Europese Unie te chanteren. De verlenging van het Griekse reddingsplan door Europa en het IMF tot juni werd pas goedgekeurd nadat Griekenland had beloofd het structurele hervormingsprogramma verder uit te voeren. Griekenland moet nu een realistisch nieuw hervormingsprogramma uitwerken om na juni op steun te kunnen blijven rekenen. Zware en moeizame onderhandelingen lijken onvermijdelijk, maar ik denk dat die armworsteling uiteindelijk wel zal leiden tot een akkoord dat de versoberingsmaatregelen ietwat versoepelt en Griekenland meer tijd geeft om orde op zaken te stellen. Als een overeenkomst op basis van deze stelregels niet mogelijk blijkt te zijn, wordt grexit een optie. Dat zou niet gunstig, maar ook niet rampzalig zijn voor Europa, maar wel kunnen leiden tot een economische en politieke crisis in Griekenland. Hoewel een grexit-scenario politieke spanningen zou kunnen creëren in bepaalde andere landen van de eurozone is het hoogst onwaarschijnlijk dat andere lidstaten het voorbeeld van Griekenland zullen volgen. 

Europa moet nu eenmaal groeien om het vertrouwen van zijn burgers terug te winnen en zijn populariteit een boost te geven. De voortdurende dreiging dat een ‘Japans scenario’ met tientallen jaren van trage groei en deflatie zich ook zou kunnen voordoen in Europa ondermijnt het vertrouwen. De mogelijkheid van een grexit en zeer lage rentevoeten door een kwantitatieve verruiming doen daar zeker geen goed aan. Ook de situatie in het Midden-Oosten evenals het conflict tussen Rusland en Oekraïne versterken het pessimisme en de angst. Maar de volgende maanden kunnen we misschien positiever nieuws verwachten.

Door het economische herstel in de Verenigde Staten en de lage rentevoeten in Europa is de euro/dollar-wisselkoers de afgelopen zes maanden gedaald met zo’n 20 procent. Dat heeft niets te maken met ‘valutaoorlogen’. Het is het automatische en logische gevolg van een verschillende visie in beide regio’s. Jarenlang hebben de Verenigde Staten profijt getrokken van een overgewaardeerde euro. Nu neemt het concurrentievermogen van de eurozone echter toe dankzij de lagere waarde van haar munt. En dat heeft een positief effect. Bijna alle landen in de eurozone hebben momenteel een netto-overschot op hun begroting. Het overschot van de volledige eurozone bedraagt 2,5 procent van het bruto binnenlands product. Ook bij de vier PIGS-landen (Portugal, Ierland, Griekenland en Spanje) is sprake van een overschot.

Ook de lagere olieprijzen helpen, want zij doen de koopkracht van de burgers in de eurozone toenemen. Dat heeft dan weer tot gevolg dat er minder geld naar energieleverende landen stroomt en meer geld wordt geïnvesteerd in de eigen economie. Door het gecombineerde effect van een lagere wisselkoers en lagere olieprijzen heeft de Europese Commissie de groeicijfers voor de eurozone herzien. De economie in de regio kende in 2014 een groei van slechts 0,6 procent, in vergelijking met 1,3 procent in 2013. In 2016 zou zelfs een groei van 1,9 procent kunnen worden opgetekend.

Zelfs de mogelijkheid van een ‘Japans scenario’ lijkt ietwat overdreven. De eurozone werd eind 2014 wel degelijk gekenmerkt door deflatie, met een negatief inflatiecijfer van -0,2 procent, maar dat cijfer wordt in belangrijke mate ingegeven door de lagere olieprijzen. Als wordt gekeken naar de ‘kerninflatie’, waarbij geen rekening wordt gehouden met schommelingen van de energieprijzen, dan bedraagt de inflatie +0,6 procent. Een zeer laag percentage weliswaar, maar allesbehalve negatief. Als een grotere economische groei wordt voorzien, zou de angst voor inflatie sneller dan verwacht opnieuw kunnen opduiken. 

Op basis van al die elementen lijkt het alsof de kans om uit de langdurige Europese crisis te raken veel reëler wordt. We mogen uiteraard niet té optimistisch reageren, maar de problemen worden erkend en aangepakt.

Toch zijn nog lang niet alle problemen van de baan. De al vermelde politieke situatie in het Midden-Oosten en Rusland is onvoorspelbaar. En de enorme bedragen die door alle grote banken, en nu ook de ECB, worden geïnjecteerd in de economie zijn weliswaar nuttig op korte termijn, maar creëren nieuwe zeepbellen die vroeg of laat nieuwe crisissen zouden kunnen veroorzaken. Laten we crisissen echter één voor één aanpakken en hopen dat er geen nieuwe problemen opduiken in 2015. Ook dat is een vorm van optimisme.

Gerelateerd nieuws

  1. #NFC – Nieuwe Financiële Cultuur

    Datum: 22-06-2016
    Categorie: Opiniestukken
    Optima Bank is failliet. Alweer een opdoffer voor de financiële sector. Nochtans uitdagingen genoeg voor de banken vandaag: regulering, digitalisering, regering. Maar al deze externe uitdagingen vervagen in het niets bij de aanhoudende stroom van schandalen die het vertrouwen in banken alweer volledig onderuit haalt. Mogen we verontwaardigd zijn door wat er opnieuw gebeurd is? Absoluut. We moeten dat zelfs zijn. Maar laten we niet opnieuw beginnen over ‘de banken’. De sector is ook in transformatie. Met dank aan de nieuwe bankiers van morgen.
  2. Naar een Europese banken- en kapitaalmarktenunie: de rol van schaduwbanken

    Datum: 01-04-2016
    Categorie: Opiniestukken
    Er woedt een geanimeerd internationaal debat over de toenemende rol van schaduwbanken en de potentiële gevolgen daarvan voor de stabiliteit van het financiële systeem. In zijn laatste verklaring presenteert het European Shadow Financial Regulatory Committee (ESFRC), het Europese schaduwcomité voor financiële regulering, enkele aanbevelingen om het hoofd te bieden aan de uitdaging van schaduwbanken.
Alle artikels