Toegang tot dure geneesmiddelen: alleen voor wie het kan betalen?

Door prof. dr. Walter Van Dyck, Associate Professor Technology & Innovation Management (Vlerick Business School) / Vlerick Healthcare Management Centre

Door prof. dr. Leo Neels, Voorzitter van de adviesraad van het Vlerick Healthcare Management Center

Regelmatig wordt in de media kritiek uitgeoefend op “de farmalobby”, die de toegang tot geneesmiddelen in onwikkelingslanden zou verhinderen door misbruik van octrooirecht. Recent gebeurde dat nog naar aanleiding van de harde uitspraak van de topman van Bayer (cfr. De Morgen van 28 januari 2014: “Ons  medicijn is niet voor Indiërs, wel voor rijke Westerlingen” door Lieven Desmet). Die reageerde daarmee op de toestemming die India aan een lokale geneesmiddelenproducent gaf om een geneesmiddel voor nier- en leverkanker te produceren, met miskenning van het octrooi van Bayer. In het artikel wordt het klassieke argument voor zulke “dwanglicenties” uiteengezet: “India produceert veel generische geneesmiddelen en verkoopt die zelf door aan de onderontwikkelde landen”, en de Indische wet doorbreekt “Westerse” octrooien “indien het geneesmiddel onder octrooi de Indische patiënt niet kan bereiken, omdat die het niet kan betalen”. Met andere woorden, nobele oogmerken zouden de doorbraak van intellectueel eigendom op geneesmiddelen legitimeren.

De zaken zijn iets complexer. Laat ons starten met feiten. Inderdaad, India is de grootste uitvoerder van generische geneesmiddelen, maar de VS zijn de grootste afnemer, niet de ontwikkelingslanden. India is een rijk land met een gigantische en te snel groeiende bevolking (1,3 miljard inwoners), waarvan de overgrote meerderheid arm is. Het BNP per capita is volgens The World Factbook 3.800 dollar, ongeveer 10 maal kleiner dan het Belgische met  37.500 dollar. De levensverwachting ligt 15 jaar onder de Belgische, de kindersterfte is 12 maal hoger dan bij ons, en India telt nog niet één arts per 2.000 inwoners (België: 4 per 1.000). India dat ook worstelt met gigantische begrotings- en handelstekorten, besteedt 4% van zijn BNP aan gezondheidszorg (OESO-gemiddelde: 9,9 %),  kent de grootste populatie met besmettelijke ziekten in de wereld, en de snelst groeiende populatie met niet-overdraagbare aandoeningen, zoals diabetes of hartfalen. Met andere woorden, India heeft nog geen minimaal gezondheidszorgsysteem voor zijn bevolking. Geavanceerde kankertherapie is er werkelijkheid voor rijke Indiërs, doch de voorzieningen voor degelijke kankerdiagnose en -behandeling voor gewone Indiërs zijn gewoon onbestaande. De basisgezondheidszorg laat te wensen over.

Deze ontnuchterende feiten rusten op beschikbare data van UNO, WHO en OESO, en internationale studies, zoals onder meer deze van David Taylor van de Pharmacy School van University College of London.

Westerse geneesmiddelenbedrijven die nieuwe therapieën ontwikkelen, ondervinden zelfs dat hun gratis aanbod van geavanceerde geneesmiddelen aan de Indische autoriteiten er niet toe leidt dat onderbehandeling wordt aangepakt. Er is gewoon onvoldoende infrastructuur voor behoorlijke toegang tot gezondheidszorg van de eigen bevolking.

De miskenning van Westerse octrooien verandert aan deze lokale basiscondities niets. Anderzijds is er geen ontwikkeling van nieuwe geneesmiddelen mogelijk zonder een correcte bescherming van de intellectuele eigendom. Daarvoor is die ontwikkeling te onzeker, zijn de processen te lang, de veiligheids- en werkzaamheidseisen te hoog. Het resultaat is een exponentieel stijgende investeringskost per erkend geneesmiddel: in 2010 berekende PwC die kost op 3 tot 11 miljard dollar.  Farmabedrijven zijn de motor van die ontwikkeling, occasioneel gesteund door autoriteiten en meer en meer NGO’s of Foundations. De “Bill and Melinda Gates Foundation” is allicht de meest bekende.

Meerdere farmabedrijven – J&J, GSK en andere – hebben al molecules beschikbaar gesteld van ontwikkelingslanden of NGO’s, en/of bieden samenwerkingsformules aan die hun geneesmiddelen toegankelijk maken voor de lokale bevolking, met inventieve schema’s die de internationale Intellectuele eigendom intact laten, en de lokale toegang voor patiënten aan lokale voorwaarden opent. Vele farmabedrijven investeren mee in eerstelijnsdiensten, hospitalen, verpleegdiensten en artsen. Er bestaat een degelijk en indrukwekkend overzicht van de humanitaire inzet van de Westerse geneesmiddelbedrijven in ontwikkelingslanden en van de creativiteit die aan de dag wordt gelegd.

Het debat tégen octrooien is in dit kader een voorbijgestreefd debat. Iedereen deelt de doelstelling van de behoefte aan meer en betere therapieën, ook voor de vroegere zgn. “genegeerde ziekten”. Ook de farmabedrijven, vandaag overigens in goed overleg met lokale autoriteiten (als die er zijn). India is een uitzondering en prefereert nog een protectionistisch namakingsbeleid, vaak om economische redenen.

De toekomst voor de bevolking van die landen ligt in de nieuwe transparante samenwerkingsmodellen, niet in een gevecht dat de lokale bevolking van die landen niét ten goede komt, en investeringen naar middelen voor de aandoeningen waaronder die bevolkingen gebukt gaan, belemmert of bedreigt.

Gerelateerd nieuws

  1. Je geld of je leven: Een kritische noot

    Datum: 29-09-2016
    Categorie: Opiniestukken
    De verontwaardiging over de hoge prijzen van geneesmiddelen is wereldwijd in deze tijden van budgettaire krapte in de gezondheidszorg. Artsen zijn terecht bezorgd over het feit of al hun patiënten toegang zouden blijven hebben tot levensreddende geneesmiddelen aan betaalbare prijzen. Volgens professor Walter Van Dyck ligt de oplossing echter niet in de afschaffing van het patentensysteem, noch in de eis voor transparantie rond de kosten die de biofarmaceutische industrie maakt voor de nieuwe geneesmiddelen die ze op de markt willen brengen. De enige oplossing voor het vraagstuk ligt in een voorwaardelijke dialoog tussen de gemeenschap en de innovatieve biofarmaceutische industrie.
Alle artikels