Een beetje overheid kan nuttig zijn

“De overheid moet zich niet bemoeien met het bedrijfsleven”, hoor je wel eens beweren. Maar is dat zo? Tot voor kort was Professor Sophie Manigart van mening dat overheden zich beter niet inlaten met het financieren van (jonge) ondernemingen. In opdracht van het IWEPS, het Waals Instituut voor Statistiek, deed ze een uitgebreide literatuurstudie over de financiering van jonge innoverende bedrijven en over de potentiële rol van de overheid in het stimuleren van de toegang tot die financiering. Vandaag is haar oordeel genuanceerder.

Negatieve selectie en gebrek aan vaardigheden

“Lange tijd leken studies uit te wijzen dat jonge ondernemingen die gefinancierd worden door de overheid zich beduidend minder goed ontwikkelen dan starters die privaat kapitaal kunnen aantrekken, bijvoorbeeld van ‘venture capitalists’, omdat – zo werd gezegd – de overheid er niet in zou slagen om de beste bedrijven te selecteren en ze optimaal te begeleiden”, zegt Sophie.

En ze legt uit waarom: “De overheid zou andere investeringscriteria hanteren dan onafhankelijke financiers. Zo zou ze eerder een breder maatschappelijk belang nastreven dan het ondernemingsbelang. Overheidsambtenaren zouden ook over onvoldoende expertise beschikken om die jonge bedrijven te begeleiden – ze hebben nu eenmaal andere vaardigheden dan ondernemers. En er was sprake van een negatief selectie-effect: de beste projecten en ondernemingen zouden in eerste instantie op zoek gaan naar private financiering en pas als dat niet lukte bij de overheid aankloppen. Een private financiering komt je reputatie namelijk ten goede: je kunt beter personeel aantrekken en bent geloofwaardiger bij klanten en leveranciers.”

De juiste financiële mix voor de juiste bedrijven

Die studies maakten echter geen onderscheid tussen een gehele of gedeeltelijke overheidsfinanciering. Recenter onderzoek doet dat wel, en dan blijkt dat het beeld genuanceerder is. Voor bedrijven met de overheid als enige financier blijft het resultaat negatief. Maar bedrijven waarin de overheid samen met onafhankelijke investeerders instapt, ontwikkelen zich positief – dikwijls zelfs beter dan bedrijven die volledig privaat gefinancierd worden.

“We zien dat ondernemingen gefinancierd door een mix van publieke en private fondsen meer inzetten op onderzoek en innovatie, wat op termijn leidt tot meer en sterkere patenten. Hoe dat komt? Private investeerders focussen vooral op productlanceringen, marktintroducties en groei, terwijl de overheid wellicht gemakkelijker de langere termijn voor ogen kan houden. Maar,” voegt Sophie daaraan toe, “het is belangrijk om aan te stippen dat de positieve invloed van directe overheidsfinanciering enkel geldt voor jonge ondernemingen. Een matuur derdegeneratiefamiliebedrijf is er absoluut niet bij gebaat.”

“Samengevat kun je stellen dat directe overheidsfinanciering werkt op voorwaarde dat de overheid zich beperkt tot die marktsegmenten en ondernemingen waarvoor private financiering tekortschiet – omdat de risico’s niet opwegen tegen het potentiële rendement – maar die op langere termijn wèl economisch en maatschappelijk winstgevend kunnen zijn. En op voorwaarde dat ze zo veel mogelijk samenwerkt met private spelers”, besluit ze.

Het antwoord op marktfalen? Een beter toegepast wettelijk kader

Volgens Sophie is een van de belangrijkste inzichten uit de studie dat de overheid de grootste bijdrage kan leveren door het marktfalen aan te pakken. Maar dat niet alleen. Wereldwijd hebben starters te lijden onder marktfalen, de mate waarin verschilt echter van land tot land. Met andere woorden: marktfalen is afhankelijk van de omgevingsfactoren.

Wat is dan haar advies voor de Belgische overheid? “Liever dan een zoveelste fonds op te richten, zou ze moeten inzetten op institutionele maatregelen – op een transparant, goed functionerend wetgevend kader waarbinnen rechten en plichten van ondernemers en financiers ondubbelzinnig zijn vastgelegd – en ervoor moeten zorgen dat wetten ook worden nageleefd.”

De recente verbetering van onze faillissementswetgeving, bijvoorbeeld, is volgens haar een stap in de goede richting, maar toch schort er nog wel wat op het vlak van investeerdersbescherming. Ze licht toe: “In sommige gevallen wordt aan bepaalde schuldeisers bescherming verleend waarop ze strikt genomen geen recht hebben terwijl andere ten onrechte in de kou blijven staan. Als schuldeisers met gewaarborgde schulden altijd voorrang hebben op achtergestelde schuldeisers, dan wordt die regel in faillissementsafwikkelingen helaas nog al te vaak met de voeten getreden. Die rechtsonzekerheid schrikt investeerders in het algemeen af. Vergelijkende studies tonen trouwens aan dat in landen met een helder, eenduidig en vooral afdwingbaar wettelijk kader de private sector meer investeert in bedrijven dan in landen waar de bestaande regelgeving minder consequent wordt toegepast.”

Vertrouwen is het sleutelwoord

“Ik pleit dus voor een transparanter en consequent toegepast institutioneel kader dat investeerders vertrouwen geeft en waarbinnen ze gemakkelijker de risico-rendementverhouding kunnen inschatten. Ik vind dat daar meer nadruk op zou mogen liggen.”

Geen enkel land verenigt alle ‘best practices’, maar Sophie vindt Luxemburg wel een mooi voorbeeld van een land waar een duidelijk kader werd geschapen met het oog op het niet belemmeren van de bedrijfsvoering. “Onder druk van de verscherpte transparantiewetgeving en de terechte strijd tegen zwart geld heeft het een verbeterd regelgevend kader gecreëerd waardoor financiële dienstverlening er gemakkelijker geworden is. De administratieve afhandeling van allerlei beleggingsfondsen gebeurt vooral vanuit Luxemburg, niet alleen wegens het helder wetgevend kader, maar ook omdat iedereen er vertrouwen in heeft dat het zal worden nageleefd.”

En ze besluit: “Goede wetten volstaan niet, je moet ze ook doen respecteren.”

Accreditaties
& rankings

Equis Association of MBAs AACSB Financial Times Economist Intelligence Unit