Het effect van strategische industriefactorinnovatie op de reactie, overlevingskansen en prestaties van gevestigde bedrijven

Een industrie is voortdurend in beweging. Concurrenten, innovators en andere belanghebbenden kunnen nieuwe (tot nog toe ‘onbekende’) productiefactoren of vaardigheden introduceren om het concurrentieniveau in een bepaalde sector te verhogen.

Deze productiefactoren en vaardigheden – strategische industriefactoren – vormen de basis voor concurrentie in een sector. Bovendien zijn ze de drijfveer achter de prestaties van bedrijven. De invoering van nieuwe productiefactoren of vaardigheden als strategische industriefactoren wordt strategische industriefactorinnovatie genoemd.

Er zijn echter ook strategische industriefactorinnovaties die gebruikmaken van 'bekende' productiefactoren en vaardigheden. Bij nieuwe bedrijfsmodellen, zoals die van Netflix, Zara, Dell en iPod/iTunes, heeft innovatie niet altijd betrekking op de introductie van 'nieuwe' productiefactoren of vaardigheden in de sector. In plaats daarvan tonen deze voorbeelden aan dat gevestigde bedrijven soms ook moeilijk kunnen inspelen op nieuwe combinaties van bestaande 'bekende' productiefactoren en vaardigheden.

Voor zijn doctoraatsproefschrift in de toegepaste economische wetenschappen heeft Bart Devoldere drie onderzoeken gevoerd met betrekking tot de concepten strategische industriefactoren en strategische industriefactorinnovatie:

1. In het eerste onderzoek (met als titel ‘Diversificatie binnen een industrie en bedrijfsgroei: een paradox tussen de creatie en het opnieuw aanwenden van productiefactoren’) ontwikkelt hij een theorie en model om te illustreren hoe diversificatie in productmarkten binnen een industrie kan leiden tot bedrijfsgroei.

Bart linkt diversificatie aan de onderliggende processen die in werking worden gesteld door gebruik te maken van een dynamische vaardigheid bij het betreden van nieuwe productmarkten. Het onderzoek toont aan dat diversificatie binnen een industrie leidt tot bedrijfsgroei, gebaseerd op onderliggende processen, zoals het creëren, het opnieuw aanwenden en configureren van productiefactoren. Bart toont ook empirisch aan dat er een simultane, negatieve wederkerigheid bestaat tussen het creëren en opnieuw aanwenden van productiefactoren, wat een belangrijke paradox vormt bij het inzetten van een dynamische vaardigheid.

2. De tweede studie (met als titel ‘Succesdrivers bij het lanceren van een bedrijfsmodel’) focust op een specifieke vorm van strategische industriefactorinnovatie: nieuwe bedrijfsmodellen. De studie analyseert twee grote onzekerheden rond nieuwe bedrijfsmodellen:

Ten eerste is er een gebrek aan kennis over de manier waarop een bedrijfsmodel met succes moet worden gelanceerd. Voor elke innovator met een nieuw bedrijfsmodel zijn er tal van copycats die hetzelfde bedrijfsmodel lanceren in een specifiek geografisch gebied. De lancering van hetzelfde bedrijfsmodel in verschillende markten gaat echter niet overal gepaard met dezelfde mate van succes. Deze tweede studie onderzoekt het gebrek aan empirische en theoretische ondersteuning bij de lancering van een succesvol bedrijfsmodel. Bart focust op vier beslissingen die een rol spelen bij het betreden van een markt: introductietiming, productaanpassing, productieschaal en strategische controle. Deze beslissingen zijn van invloed op de waardedimensies van een bedrijfsmodel en op de mogelijkheid van een bedrijfsmodel om waarde te creëren en aan te grijpen. Bart onderzocht belangrijke lineaire en niet-lineaire effecten van deze introductiebeslissingen op de overlevingskansen van het gelanceerde bedrijfsmodel. Hij stelt dat het belangrijk is om het bedrijfsmodel als een afzonderlijke analyse-eenheid te behandelen, los van industrie, bedrijf, product of technologie. Bovendien toont hij theoretisch en empirisch aan dat er niet alleen verschillen zijn, maar dat er ook sprake is van een wisselwerking tussen het bedrijfsmodel en een marktstrategie betreffende een product, wat een belangrijke bijdrage vormt voor de literatuur rond marktintroductie. 

Ten tweede is er een gebrek aan kennis over hoe bedrijven hun onzekerheid kunnen verminderen bij het lanceren van een bedrijfsmodel. Vooral voor gevestigde bedrijven is het moeilijk om te beslissen wanneer ze een nieuwe marktniche moeten betreden in het kader van een bedrijfsmodelinnovatie. Gevestigde bedrijven hebben bovendien te maken met grote financiële en bestuurlijke risico’s gerelateerd aan een gebrek aan informatie over de nieuwe marktniche.

3. In het derde onderzoek (met als titel ‘Kennis en signalen over bedrijven en markten heen: het identificeren van marktintroductiespillovertypes en -moderators’) bestudeert Bart welke informatiesignalen van invloed zijn op de introductietiming van een gevestigd bedrijf in een nieuwe marktniche ingegeven door bedrijfsmodelinnovatie, en hoe deze signalen die beslissing beïnvloeden. Hij focust hierbij op informatiesignalen die slaan op eerdere introducties in de marktniche ten gevolge van diezelfde bedrijfsmodelinnovatie. Bart schetst een model van verschillende types en moderators van marktintroductiespillover (d.w.z. vorige introducties in de marktniche die een invloed uitoefenen op een huidige introductie in de marktniche).

Door zowel rekening te houden met signalen van markten waar een gevestigd bedrijf aanwezig is als van markten waar een gevestigd bedrijf niet aanwezig is, en door de werkelijke in plaats van de potentiële invloed van signalen op bedrijfsbeslissingen in kaart te brengen, toont Bart aan dat er een soort marktintroductiespillover bestaat die niet ter sprake komt in de bestaande literatuur: marktintroductiespillover over bedrijven en markten heen, wat een onrechtstreeks spillovereffect (of imitatiegedrag) impliceert in verschillende geografische markten onder bedrijven die niet rechtstreeks met elkaar concurreren.

Over Bart Devoldere

Bart Devoldere behaalde in 2006 zijn masterdiploma in de handelsingenieurswetenschappen aan de KU Leuven. Sinds 2007 werkt hij bij Vlerick Business School als marketingonderzoeker. Zijn onderzoek wordt gefinancierd door het Intercollegiate Center for Management Science (I.C.M.); de Vlaamse organisatie voor ondernemingscreativiteit (Flanders DC), gesubsidieerd door de Vlaamse overheid; en het Academisch Onderzoeksfonds (ARF), gesubsidieerd door de Vlaamse overheid.

Bron: ‘On the effect of strategic industry factor innovation on incumbent reaction, survival and performance’ door
Bart Devoldere. Proefschrift ter verkrijging van de graad van doctor in de toegepaste economische wetenschappen. Promotor: prof. Marion Debruyne. Copromotoren: prof. Bert Weijters en prof. Ruud Frambach.

Accreditaties
& rankings

Equis Association of MBAs AACSB Financial Times Economist Intelligence Unit