Het ene durfkapitaal is het andere niet

Of hoe de oorsprong van durfkapitaal een verschillend effect heeft

Heel wat bedrijven met ronkende namen als Apple, Rovio (van Angry Birds), Spotify, Facebook, Google, Microsoft en Starbucks zouden nooit bestaan hebben, of zeker nooit zo groot geworden zijn, zonder durfkapitaal. “Durfkapitaal is van levensbelang voor startende ondernemers die met een idee zitten of eventueel al een prototype hebben, maar vaak nog geen afgewerkt product waarmee ze naar de markt kunnen gaan,” vertelt David Devigne die onder begeleiding van professor en expert in durfkapitaal Sophie Manigart een doctoraatsonderzoek deed naar internationale durfkapitaalverstrekkers en hun portefeuillebedrijven in Europa. Daaruit blijkt dat ondernemers goed moeten overwegen met welke financier ze in zee gaan. De oorsprong van het kapitaal heeft immers een effect op het succes van de onderneming.

Wat is durfkapitaal en waar komt het vandaan?

Tussen 2000 en 2010 hebben durfkapitaalverstrekkers 79 miljard euro geïnvesteerd in 18.000 Europese beloftevolle ondernemers. Opvallend is dat steeds meer (nl. 28%) van dat bedrag van internationale spelers afkomstig is. Durfkapitaal is zeer divers, maar het gaat altijd over kortlopende en meestal risicovolle investeringen in jonge, vaak hoogtechnologische bedrijven die op zoek zijn naar financiering om te kunnen groeien. Voor België denken we typisch aan Omega Pharma, Thrombogenics, Option, Materialise, Clear2pay, Telenet, Transics of Biocartis  toen deze nog maar net opgericht waren.

David Devigne: “Het geld is meestal afkomstig van investeerders die aan durfkapitaalverstrekkers de opdracht geven om in hun plaats op zoek te gaan naar interessante bedrijven die het vooruitzicht bieden op een hoog rendement. Sommige bedrijven zijn pas opgestart, andere zitten al in een verdere fase. Het is geen passief gebeuren. De durfkapitaalvertrekkers staan het portefeuillebedrijf actief bij met raad en daad en als het goed loopt, gaan beide partijen na gemiddeld vijf tot zeven jaar terug uit elkaar met een serieuze meerwaarde.”

Groot verschil tussen lokale en internationale spelers

Er zijn drie soorten durfkapitaalverstrekkers. Je hebt nationale spelers die volledig lokaal verankerd zijn in het land van de start-up. Daarnaast heb je internationale investeerders die alles vanuit het buitenland beheren. En ten slotte zijn er ook internationale spelers met een lokale verankering. Ze hebben ofwel een eigen lokale afdeling of ze werken samen in co-investering met andere lokale spelers. Die afkomst is niet onbelangrijk, zo ontdekte David.

In zijn doctoraat onderzocht hij het effect van die oorsprong op 3 aspecten van de investeringscyclus:

1. het selectieproces
2. de bedrijfsgroei, d.i. groei in totaal actief, tewerkstelling en omzet
3. het moment waarop de durfkapitaalverstrekker uit het bedrijf stapt

De perfecte match tussen investeerder en ondernemer

Eerdere studies hebben aangetoond dat een internationale speler eerder kiest voor bedrijven die meer matuur en bijgevolg minder risicovol zijn. De afstand tussen investeerder en bedrijf is immers groter wat een nauwgezette opvolging moeilijk maakt. Uit het doctoraatsonderzoek blijkt echter dat wanneer een internationale en lokale speler de krachten bundelen, er wel meer geïnvesteerd wordt in risicovolle start-ups.

“Lokale spelers in de ruime zin van het woord kunnen dat probleem voor een internationale speler die vanuit het buitenland opereert, oplossen. Ik bedoel dus zowel de puur lokale spelers als lokale branches van een internationale speler. Op die manier krijg je eigenlijk het beste van twee werelden. Belgische bedrijven halen minder vaak en minder veel geld op dan andere Europese bedrijven en zeker in vergelijking met de Verenigde Staten. Dat is echter niet zo wanneer er internationale kapitaalverstrekkers mee gemoeid zijn.”

Naast het verschil in grootte van financiering bieden durfkapitaalverstrekkers ook toegevoegde waarde aan de bedrijven waarin ze investeren. “Ze geven advies, trekken sleutelwerknemers aan, zorgen voor contacten met potentiële klanten en leveranciers. Ze helpen dus met de praktische kant van de start-up,” legt David uit. “De mate waarin de durfkapitaalverstrekker de lokale start-up markt wel of niet kent, heeft dus een duidelijk effect op het resultaat van de investering. Een lokale speler kent de lokale markt zeer goed en kan in de beginfase het bedrijf goed helpen via zijn kennis van lokale wetgeving, rekrutering, financiering, klanten, leveranciers, etc.” In deze initiële fase ben je dus gebaat bij een lokale speler, maar het moet wel iemand zijn met een goede reputatie en een breed netwerk én die later internationale spelers kan introduceren.

Durfkapitaal is immers vaak gelinkt aan high-tech bedrijven. De Belgische en zelfs Europese markt is al snel te klein voor deze nicheproducten die een globale schaal nodig hebben, legt David uit. “Internationale spelers hebben andere kennis, een andere thuismarkt en andere potentiële afzetmarkten. Ze kunnen een signaal van kwaliteit geven. Wie naar de Amerikaanse markt gaat met een Amerikaanse investeerder heeft al een stap voor op concurrenten.”

Bedrijfsgroei

Een bedrijf dat enkel lokale investeerders aan boord heeft, groeit snel maar na ongeveer vier tot vijf jaar vlakt die groei af. Als je start met enkel internationale investeerders verloopt die groei in het begin trager, maar ze is persistenter. Bij een combinatie van lokale en internationale investeerders, groei je niet alleen snel, maar kan je dat ook op langere termijn volhouden. David: “Het is dus essentieel om zeker een lokale speler aan boord te hebben. Een internationale speler wordt pas op termijn belangrijk dus je hoeft niet direct van bij de start met een internationale speler in zee te gaan.”

Exit: wat als het fout gaat?

“Er zijn heel veel falingen,” zegt David. “Ongeveer 30 tot 40 procent van deze jonge of startende bedrijven gaat failliet omdat het net zo risicovol is. Die bedrijven hebben bij de investering vaak nog geen product. Ze zijn zeer innovatief, maar er kan ook veel misgaan bij het opschalen van een prototype naar een product voor de markt: de productie blijkt niet rendabel, er blijkt onvoldoende vraag of er bestaan betere of goedkopere technologieën. Een extreem voorbeeld zijn de biotech bedrijven waarbij pas na 10 jaar ontwikkeling en klinische studies blijkt of het ontwikkelde geneesmiddel werkzaam en veilig is.”

Wat blijkt nu uit het onderzoek? Indien er tekenen zijn dat het fout gaat, blijven lokale spelers vaker bereid tot nieuwe investeringen. De oorzaak is de verankering in de lokale gemeenschap: de investeerder kent de ondernemer persoonlijk, hij heeft toegang tot ‘softe’ informatie die veel moeilijker te interpreteren is. Een internationale investeerder staat letterlijk veel verder af van het bedrijf en baseert zijn beslissingen vaker op louter harde en cijfermatige informatie.

En wat met internationale spelers die vanuit een eigen lokale afdeling investeren? Je zou verwachten dat ze zich gedragen als puur lokale spelers, maar dat is verrassend genoeg niet zo. Het investeringscomité kijkt overwegend naar de harde feiten omdat er naast lokale ook internationale managers deel van uitmaken.

Conclusie? “Zowel lokale als internationale spelers hebben hun specifieke voor- en nadelen, maar als het enigszins mogelijk is neem je ze beter beide samen aan boord.”

Bron: “International Venture Capital Investors and their Portfolio Companies in Europe”. Doctoraatsonderzoek van David Devigne. Promotor: professor Sophie Manigart.

Accreditaties
& rankings

Equis Association of MBAs AACSB Financial Times