Strenger dan Europa? Dat hoeft ook weer niet.

Hoe financieren niet-beursgenoteerde ondernemingen – starters en snel groeiende ondernemingen – hun groei? Hoe worden hun eventuele overdrachten of buy-outs gefinancierd? En welke impact hebben financieringskeuzes op hun verdere ontwikkeling? Op vraag van het Federaal Wetenschapsbeleid boog een team van onderzoekers van verschillende universiteiten zich over deze kwesties. Professor Sophie Manigart was de projectleider. Zij plaatst enkele kanttekeningen bij de belangrijkste resultaten van de studie.

Ondernemers, maak je huiswerk!

Over de conclusies voor ondernemers is ze kort maar krachtig: “Kijk verder dan je neus lang is. Er is de laatste jaren verbetering merkbaar, maar toch moeten we vaststellen dat ondernemers nog al te vaak het groeipotentieel van hun bedrijf niet ten volle benutten doordat ze bepaalde financieringsopties – bijvoorbeeld private equity of risicokapitaal – bij voorbaat uitsluiten of niet kennen. En zij die dan toch de stap zetten naar externe financiering beperken zich nog al te vaak tot de bekende financiers uit het eigen netwerk, terwijl ze er juist goed aan zouden doen om grondig na te gaan welke externe partij het beste past bij hun ambities en behoeften. Het ene risicokapitaal is het andere niet en niet elke kapitaalverstrekker is een match.”

Een stabiele institutionele context is cruciaal

Omdat het onderzoek gebeurde in opdracht van de overheid, vindt Sophie vooral de conclusies voor beleidsmakers erg belangrijk. “Belgische ondernemingen opereren in een specifieke institutionele context die verschilt van die in andere landen. Ons onderzoek heeft het belang aangetoond van een stabiele institutionele context. In landen met een goede investeerdersbescherming en, minstens zo belangrijk, rechtszekerheid, is er voor zowel jonge ondernemingen als buy-outs niet alleen meer financiering beschikbaar, ze is er ook goedkoper. Bedrijven zullen in zo’n context ook meer buitenlandse middelen kunnen aantrekken.”

Rechtszekerheid, schort het daar dan aan in België? “Het is iets waaraan we toch nog moeten werken. Ik mis een langetermijnvisie. Er worden heel wat kortetermijninitiatieven genomen, en daar heb ik uiteraard niets op tegen, op voorwaarde dat er ook werk wordt gemaakt van de lange termijn, van het institutionele kader.” Sophie betreurt dat er tot dusver weinig beweegt op dat vlak, al nuanceert ze ook: “Ik ben wel blij met de initiatieven die minister Geens onlangs aankondigde voor de vereenvoudiging van de vennootschapswetgeving. Laat ons hopen dat het een aanzet is voor meer structurele ingrepen.”

Tegengestelde krachten aan het werk

Hoe zit het op Europees niveau? “De Europese Commissie is er zich sterk van bewust dat de institutionele context belangrijk is. Daarom spant ze zich ook in voor een eengemaakte financiële markt, maar zover zijn we nog niet. Het is voor onze bedrijven bijvoorbeeld nog erg moeilijk om in andere landen een beursnotering te krijgen omdat ze dan moeten voldoen aan tal van lokale regels die afwijken van de Belgische. Ons onderzoek bevestigt dat een eengemaakte gereguleerde markt de toegang tot financiering van heel wat Europese ondernemingen zal vergemakkelijken, wat dan weer ondernemerschap zal stimuleren. Er zullen meer bedrijven worden opgestart en vooral bedrijven met meer groeiambities.”

Sophie vindt het dan ook onbegrijpelijk dat diezelfde Europese Commissie de financiële spelers – banken en verzekeraars – met Basel III en Solvency II zulke strenge beperkingen oplegt om te investeren in jonge ondernemingen. “In de VS heeft men het aan het eind van de jaren 70 mogelijk gemaakt voor pensioenfondsen om een groter deel van hun activa te investeren in niet-beursgenoteerde bedrijven. Iedereen is ervan overtuigd dat dit de maatregel is die de sterkste boost heeft gegeven aan de ontwikkeling van de risicokapitaalmarkt. Basel III en Solvency II maken de financiering van jonge ondernemingen nagenoeg onmogelijk of erg duur voor institutionele spelers. Dergelijke maatregelen staan haaks op de initiatieven die erop gericht zijn om de toegang tot financiering te vergemakkelijken. Men erkent het probleem wel, hoor. Maar in de praktijk blijkt het moeilijk om deze tegenstelling te overbruggen.”

België, de ijverigste leerling van de klas?

Nog onbegrijpelijker vindt ze het echter dat die richtlijnen in België uiterst restrictief geïnterpreteerd worden. “Basel III en Solvency II bepalen minimumregels waaraan financiële instellingen moeten voldoen en het ene land interpreteert ze al soepeler dan het andere. Voor onze banken en verzekeraars wordt het extra moeilijk gemaakt om jonge ondernemingen te financieren. De financiële crisis heeft, begrijpelijkerwijs, de risicoaversie van onze financiële regulatoren aangewakkerd. Ze willen het risico minimaliseren, maar daardoor fnuiken ze ondernemerschap.”

Stimuleer buitenlands kapitaal

Wat kunnen Belgische beleidsmakers volgens haar nog doen om de toegang tot financiering te bevorderen? “Men zou buitenlandse investeringen meer moeten stimuleren. In het verleden werden overheidsprogramma’s te eng opgevat: investeerders moesten in Vlaanderen of België aanwezig zijn. De laatste tijd worden ook niet-Belgische investeerders al dan niet oogluikend toegelaten, maar er is meer nodig. Ik geef een voorbeeld: het nieuwe luik van het ARKimedes-fonds maakt het nu mogelijk om grotere bedragen te financieren, wat erg positief is. We zouden een stapje verder kunnen gaan door, ik zeg maar wat, te bepalen dat minstens x% van de portfolio in samenwerking met internationale investeerders gefinancierd moet worden.”

Onbekend maakt ongebruikt

Goede maatregelen moeten ook beter bekend worden gemaakt, vindt Sophie: “In plaats van het zoveelste nieuwe initiatief te lanceren, zouden we er beter voor zorgen dat bestaande maatregelen zo efficiënt en breed mogelijk worden toegepast. Neem nu het Start-Up Plan van minister De Croo. Via een tax shelter voor start-ups, fiscale incentives voor crowdfunding en lagere loonkosten wil dat plan de financiering voor starters gemakkelijker maken. Sinds de lancering na de zomer spreek ik zowat alle mogelijke business angels en ondernemers erover aan, maar bijna niemand kent het.” En ze gaat verder: “Met de Winwinlening, een initiatief van de Vlaamse Overheid, kunnen particulieren fiscaal voordelig geld lenen aan kmo’s. Die formule bestaat al sinds 2006 en was aanvankelijk enkel bedoeld voor starters, maar sinds 2011 kunnen bestaande bedrijven er ook gebruik van maken. Ook dat is een goede maatregel die volgens mij nog te weinig wordt gebruikt omdat hij onvoldoende bekend is.”

Tot slot

Haar belangrijkste advies voor beleidsmakers? “Uit onze studie is gebleken dat overheidsmaatregelen zich niet mogen beperken tot specifieke fiscale stimuli of het oprichten van investeringsfondsen. De institutionele context op orde krijgen is cruciaal. En dat is een werk van lange adem waarvan de resultaten pas na verloop van tijd zichtbaar worden”, zegt Sophie. “Wat de korte termijn betreft, zou ik onze regulatoren op het hart willen drukken om Europese richtlijnen vooral niet te restrictief te interpreteren. We moeten niet minder doen dan wat ze vragen, maar strenger zijn is ronduit nefast voor onze ondernemingen.”

Het SMEPEFI-project liep van 2011 tot 2014 en werd gefinancierd door het Federaal Wetenschapsbeleid (Belgian Science Policy Office, BELSPO). Het bundelde onderzoek door Vlerick Business School, Universiteit Gent, Université de Liège en Imperial College London en resulteerde in drie doctoraten, verscheidene academische publicaties, presentaties en workshops. In 2015 werd het eindrapport “Access to finance of SMEs: young grwoth oriented companies and company transfers” opgesteld.

Accreditaties
& rankings

Equis Association of MBAs AACSB Financial Times