Geen pasklaar model

Offshorewindtechnologie wordt steeds vaker aangewend als een middel om de ambities voor hernieuwbare energie te realiseren. Volgens de nationale actieplannen voor hernieuwbare energie die de EU-lidstaten in 2011 hebben ingediend, zou het geïnstalleerde vermogen van offshorewindparken in de EU tegen 2020 stijgen van 3 GW naar 40 GW. Welk type regelgevingskader kan deze uitbreiding van offshorewindenergie het best ondersteunen? Dat is de centrale vraag in het artikel "Offshore grids for renewables: do we need a particular regulatory framework?" van Leonardo Meeus, Associate Professor in Energy Markets en directeur van het Energy Centre.

Het artikel bouwt voort op een onderzoek dat deel uitmaakt van het FP7-gefinancierde THINK-project van de EU, waarvan de resultaten in januari 2012 gepubliceerd werden onder de titel "Offshore Grids: Towards a Least Regret EU Policy" ("THINK-rapport"). "Offshorewindenergie werd toen stilaan een hot topic en verschillende EU-lidstaten begonnen offshoreprojecten te lanceren en zelf een regelgevingskader te ontwikkelen", herinnert Leonardo zich. "De Europese Commissie vroeg zich af of die afzonderlijke initiatieven de nieuwe toekomst waren en of zij een rol kon spelen door de regelgeving errond vast te leggen." In het THINK-rapport staan de basisprincipes voor regelgevingskaders die de uitbreiding van offshorewindenergie willen vergemakkelijken en ondersteunen. Leonardo heeft als coördinator van het onderzoek en hoofdauteur van het rapport zijn bevindingen al op verschillende gelegenheden gepresenteerd. Na verloop van tijd kwam hij zo tot extra inzichten en nieuwe conclusies, waardoor hij besliste om dit artikel te schrijven.

Offshoretrends en hun kenmerken

Bij de offshoreproductie van windenergie zijn er twee trends die de geschiktheid van het gekozen regelgevingskader beïnvloeden:

  • De steeds groter wordende offshorewindparken worden alsmaar verder op zee uitgebreid, waardoor de kosten om de parken met het vasteland te verbinden aanzienlijk stijgen.
  • Grensoverschrijdende projecten voor offshorenetwerken worden steeds populairder. Dergelijke projecten bestaan uit verschillende onderling verbonden offshorewindparken en verbindingen met de betrokken landen.

Offshorewindparken en grensoverschrijdende offshorenetwerken hebben weinig nut als ze niet met het vasteland verbonden zijn. Uit onderzoek blijkt dat investeringen in de verbinding van offshorewindparken en grensoverschrijdende offshorenetwerken specifieke economische kenmerken hebben in vergelijking met soortgelijke investeringsprojecten op het vasteland:

  • De externe netwerkeffecten zijn belangrijker, omdat de integratie van offshorewindparken in het bestaande transmissienet meestal een ingrijpende versterking van dat net vereist.
  • Er is meer onzekerheid over toekomstige technologie en de bijbehorende kosten aangezien men minder ervaring heeft met de installatie, de werking en het onderhoud van offshoreoverdrachtsinstallaties. Dat is zelfs nog meer het geval bij grensoverschrijdende offshorenetwerken. Door die onzekere factoren verloopt ook de uitwisseling van informatie tussen de regelgevende instanties die de investering moeten goedkeuren en de partij die het project uitvoert niet altijd even duidelijk.
  • De schaalvoordelen zijn groter, want er zijn meer mogelijkheden om samen te werken. Aan land is het onwaarschijnlijk dat verschillende generatoren die zich ver van het bestaande net bevinden tegelijkertijd vragen om aangesloten te worden, maar offshore is dat heel normaal.

Drie bestaande kaders

Er zijn momenteel drie types regelgevingskaders die de EU gebruikt voor de aansluiting van offshorewindparken:

  • TSO-model
    Het TSO-model is het meest gebruikte model voor overdracht op het vasteland. Verschillende landen hebben dit al uitgebreid naar de aansluiting van offshoreparken met het vasteland, bv. België, Denemarken, Frankrijk, Duitsland, Ierland, Nederland en Noorwegen.
  • Generatormodel
    In dit model moeten de ontwikkelaars van offshorewindparken zorgen voor de aansluiting met het vasteland. Zweden gebruikt dit kader soms, maar niet voor alle projecten.
  • Derdepartijmodel
    In dit model worden het ontwerp en de ontwikkeling van aansluitingen tussen park en vasteland uitbesteed aan derden. Dit is al toegepast in het Verenigd Koninkrijk, waar dergelijke derde partijen Offshore Electricity Transmission Owners worden genoemd en waar generatoren ook kunnen deelnemen in de aanbesteding.

Gelet op de economische kenmerken van offshore-investeringsprojecten moeten regelgevingskaders met het volgende rekening houden om rendabel te zijn: (1) een geavanceerde aansluitingsplanning die de externe netwerkeffecten en schaalvoordelen incalculeert, (2) een concurrentie-element om tegemoet te komen aan de onzekerheden van toekomstige technologieën en de bijbehorende kosten en (3) een prijssignaal dat ontwikkelaars van offshorewindparken en grensoverschrijdende offshorenetwerken stimuleert om actief deel te nemen in de aansluitingsplanning. Dat zijn de conclusies van het THINK-rapport.

Leonardo: "Van de bestaande regelgevingskaders voldoet er geen enkel aan alle drie de criteria. Alleen het TSO-model houdt rekening met een geavanceerde aansluitingsplanning en alleen het generatormodel en het derdepartijmodel bevatten een concurrentie-element en een prijssignaal."

Welk model is het meest geschikt?

Leonardo vindt dat alle drie de modellen voor verbetering vatbaar zijn: "Aan het TSO-model kan gemakkelijk een prijssignaal worden toegevoegd, maar het kan nooit een concurrentie-element bevatten. De geavanceerde aansluitingsplanning kan in zowel het generatormodel als het derdepartijmodel geïntegreerd worden, zodat die aan alle criteria voldoen. Deze zijn dan ook het meest geschikt voor de steeds grotere offshorewindparken die alsmaar verder op zee worden uitgebouwd."

Leonardo vindt het TSO-model het meest geschikt als regelgevingskader om de groei van grensoverschrijdende offshorenetwerken en dus de onderlinge verbinding van offshorewindparken te ondersteunen: "Het is het meest gebruikte model in Europa. Als alle lidstaten dit zouden volgen in plaats van het generatormodel of het derdepartijmodel, dan zou dat de coördinatie tussen alle betrokken partijen vereenvoudigen omdat er gewoon minder partijen zouden zijn."

Leonardo is tot de conclusie gekomen dat geen enkel model echt perfect is in de huidige EU-context: "De verschillende modellen moeten elementen van elkaar overnemen en dat moet gebeuren door de betrokken landen of zelfs op Europees niveau."

Bron: "Offshore grids for renewables: do we need a particular regulatory framework?" Gepland voor publicatie in Economics of Energy & Environmental Policy (EEEP), Vol. 3, No. 2, 2014, het vaktijdschrift van de International Association of Energy Economists (IAEE). Dit artikel kan gratis gedownload worden als working paper.

Accreditaties
& rankings

Equis Association of MBAs AACSB Financial Times